Sterren & Melkweg fotograferen
Inhoudsopgave
- Algemene informatie
- Hoe maak ik een simpele astrofoto?
- Hoe vermijd ik streepvormige sterren ?
- Hoe komt het dat de streepjes niet altijd overal even lang zijn?
- Welke belichtingstijd mag ik nemen om geen spoorvorming bij de sterren te krijgen?
- Hoe herken ik een goede astrofoto?
- Hoe herken ik een goede Melkwegfoto?
- Waar vind ik de beste plaats om sterren en Melkweg te fotograferen?
- Is het het astrofotograferen in groep zinvol?
- Hoe vermijd ik dauwvorming op mijn lens?
- Hoe vind ik een bepaalde nevel of bolhoop terug aan de hemel?
- Voorbeelden van astrofoto’s
Algemene informatie
Sterren en Melkweg fotograferen is een mooie uitdaging. Tuurlijk dat je een “knoppe-duw” foto kan maken met je GSM of camera. En er zal ongetwijfeld wel “iets” op je foto staan. Maar een mooie, heldere, scherpe en kleurrijke foto maken van de nachtelijke hemel, en in het bijzonder van het juweel dat de Melkweg is, zal toch wel wat meer kennis, kunde, materieel en doorzettingsvermogen vragen. Ik leg uit hoe het kan.
Tip: indien je meer wil weten over hoe je het hemelverschijnsel “Poollicht” kan fotograferen, verwijzen we je graag door naar onze speciale rubriek hierover: “Poollicht fotograferen“. Hieronder bespreken we de gewone astrofotografie.
Hoe maak ik een simpele astrofoto?
Eigenlijk kan iedereen met beperkte middelen een astrofoto maken. Richt je camera op de hemel, stel scherp. Neem hierbij een zo lichtkrachtig mogelijke lens en fotografeer zo lang als mogelijk.
Je zal echter bij het bekijken van je resultaat al snel opmerken dat je hierbij best een statief gebruikt aangezien je toch zal moeten werken met een belichtingstijd van enkele seconden. En zo lang kun je je camera/lenscombinatie niet roerloos vasthouden. Minimum uitrusting is dus: camera + statief.
Klik op een van de onderstaande foto’s om de fotocarrousel op te starten…


De boodschap voor starters is: begin heel eenvoudig en maak het later wat complexer. Start met je camera op een statief te zetten, kies voor een breedhoeklens (je hebt daar veel minder snel volgfouten mee – daarover later meer), kies bijv. voor ISO-800 en een tijdsduur van bijv. 15 à 30 seconden. Kies je voor een mooie voorgrond, dan ben je al goed vertrokken voor een mogelijks nieuwe hobby: astrofotografie. Probeer op je foto dan al eens de sterrenbeelden op te zoeken die je hebt vastgelegd. Je kunt dit doen aan de hand van een planetariumprogramma (daarover hieronder ook meer).
Klik op een van de onderstaande foto’s om de fotocarrousel op te starten…


Hoe vermijd ik streepvormige sterren ?
Wanneer je een astrofoto maakt zal je zien dat er in principe bij een belichting van een seconde of zo niet veel zal opstaan: het vastgelegde signaal is té laag. Dus zal je langer willen belichten. De meeste camera’s gaan standaard tot belichtingen van 30 seconden. Wanneer je nu een sterrenfoto maakt van 30 seconden dan zal je merken dat de sterren niet zullen afgebeeld staan als puntjes maar wel als streepjes. En dat wil je uiteraard niet. Hoe dat komt is simpel: de Aarde draait in 24 uur éénmaal rond haar as. Beschouw je het Aardoppervlak als vast, dan kan je ook zeggen dat de sterren voortdurend in beweging zijn. Bij korte belichtingen zal je het niet opmerken, bij langere duren wel. Zie onze rubriek “Sterrensporen fotograferen“. Soms wil je vanwege esthetische redenen net wèl spoorvormige sterren maar dat is een ander verhaal. Bekijk dan die andere rubriekpagina.
Hier gaan we er van uit dat wanneer je sterren en de Melkweg wil vastleggen je dit zo scherp mogelijk en met een zo hoog mogelijk niveau van detail wil doen. Bij lange belichtingen zal je dan moeten gebruik maken van een volgsysteem. Zo’n systeem bestaat altijd uit een platformpje dat dan meedraait aan dezelfde snelheid van het hemelfirmament nl. één toertje per etmaal. Je “ziet” het volgsysteem als dusdanig niet draaien omdat het o-zo traag gaat, maar het volgt wel degelijk de beweging van de sterren.
Er bestaan diverse volgsystemen. We tonen er hier een tweetal: de eerste is een volgmontering. Deze is robuust en gemaakt voor het dragen van zware belastingen zoals heuse telescopen of zware telelenzen. Een voorbeeld hiervan is de gerenommerde Astro-Physics 900 GTO montering. De tweede is een bijzonder compact motortje die je op je gewone statief zet. Voorbeeld is hiervan is de Move Shoot Move (afgekort als MSM). Zo’n minuscuul volgsysteempje is een lichtgewicht en plaats je zo in de rugzak en heb je dus overal mee. Ideaal dus om bijvoorbeeld in de bergen of op het platteland mooie nightscapes (melkwegopnames) te maken.
Klik op een van de onderstaande foto’s om de fotocarrousel op te starten…


Hierbij een voorbeeld van een stuk hemel vastgelegd met een 20 mm f/1.4 L groothoek. Er werd 30 seconden belicht. Links zie je het origineel zonder volgen, rechts met de Move Shoot Move geactiveerd. Op de tweede rij zie je een uitsnede van de bovenste linkerhoek uit het desbetreffend origineel op de 1e rij.
Klik op een van de onderstaande foto’s om de fotocarrousel op te starten…

ongevolgd – totaalopname

gevolgd met MSM – totaalopname

ongevolgd – uitsnede linkerbovenhoek 1024×1024 pixels

gevolgd met MSM – uitsnede linkerbovenhoek 1024×1024 pixels
Hoe komt het dat de streepjes niet altijd overal even lang zijn?
Er zijn 2 zaken die bepalen hoe lang de sterrensporen zullen zijn op een welbepaalde foto:
1) alle sterren draaien rond één punt: dit punt is de Poolster. De Poolster ligt aan het Noordelijk Halfrond van de Aarde ongeveer in het verlengde van de as waarrond de Aarde draait. Alle sterren draaien dus als het ware rond de Poolster. Hoe verder je aan het hemelfirmament van de Poolster af gaat, hoe groter de schijnbare snelheid van de ster. Een ster die heel ver van deze centrale ster afligt, bijvoorbeeld aan de hemelevenaar, zal sneller bewegen en dus zal die een groter streepje maken op de foto.
2) hoe langer de brandpuntsafstand van de lens waarmee je fotografeert, des te langer het sterrenstreepje zal zijn. Je vergroot immers bij langere brandpuntsafstanden de hemel uit, dus ook het streepje. Wanneer je dus met een breedhoeklens van zeg maar 10 mm gedurende 10 seconden zal belichten, dan zal je quasi geen sterrensporen zien. Doe je hetzelfde met een 400 mm telelens dan zal je al wel heel duidelijk spoorvorming zien.
Daarom is het altijd beter om gebruik te maken van een volgsysteem. Je moet je dan nooit de vraag stellen: zal ik spoorvorming krijgen of niet?
Welke belichtingstijd mag ik nemen om geen spoorvorming bij de sterren te krijgen?
We stellen ons hier dus de vraag: stel dat ik geen volgmechanisme gebruik, tot hoeveel seconden mag ik dan, bij een bepaalde brandpuntsafstand, belichten om geen spoorvorming te krijgen?
Gebruik je wel een volgmechanisme, dan kun je in principe uren lang belichten zonder enige volgfout. In dit geval hangt het af van de mechanische nauwkeurigheid van het mechanisme en deze waarmee je die hebt opgesteld. Zijn deze beide OK, dan kan je in principe ongelimiteerd lang fotograferen.
In het andere geval, als je niet over een volgmechanisme beschikt, bestaan er twee veelgebruikte regels om te berekenen welke de maximale belichtingsduur is voor een welbepaalde brandpuntsafstand.
1. De 500-regel (simpelste)
Deze regel zegt:
Maximale sluitertijd (in seconden) ≈ 500 / brandpuntsafstand (full-frame equivalent)
Voorbeeld:
Lens = 24 mm op full-frame → 500 / 24 ≈ 20 s
Lens = 50 mm → 500 / 50 = 10 s
Gebruik je een APS-C of MFT, dan moet je de brandpuntsafstand eerst vermenigvuldigen met de cropfactor.
Dit voorkomt meestal grosso modo dat sterren strepen worden. Hogere resolutie astrofotografen hanteren echter andere waardes dan die 500, precies omdat men tegenwoordig werkt met heel kleine pixels:
500-regel → voor oudere, lagere resolutie camera’s
300-regel → voor middelhoge resolutie
200-regel → voor zeer hoge resolutie (40–60+ MP)
Voorbeeld: voor mijn Canon EOS R5 40 Mpixel sensor bekom ik deze waarden met de 200-regel:
– 10 mm breedhoek: 20 seconden
– 24 mm breedhoek: 8 seconden
– 50 mm standaardlens: 4 seconden
– 100 mm telelens: 2 seconden
2. De NPF-regel (nauwkeuriger)
De 500-regel is eigenlijk nogal grof. Deze NPF-regel houdt rekening met:
1) brandpuntsafstand
2) diafragma
3) pixelgrootte van je sensor
Formule (vereenvoudigd):
T ≈ 15 × N + 30 × p / f
waar:
T = maximale sluitertijd (s)
N = diafragmawaarde
p = pixel pitch (µm)
f = brandpuntsafstand (mm)
Er zijn apps die dit automatisch berekenen (PhotoPills, PlanIt!).
Hoe herken ik een goede astrofoto?
Veel kans dat je bij het (objectief) bekijken van je eerste astrofoto’s zal opmerken dat er toch het een en het ander niet pluis is. We bespreken hier enkele veel voorkomende tekortkomingen aan een goede astrofoto.
Scherpte
Een goede astrofoto blinkt uit doordat de sterren er op, en bij uitbreiding alles, naaldscherp er staan op afgebeeld. Vele mensen besteden te weinig aandacht bij het scherpstellen. Nu ja, bij iets als een nachtelijke hemel dat zeer lichtzwak is kan dit zorgen voor de nodige uitdagingen. Daarom deze tip: kies één welbepaalde lichtsterke ster uit, vergroot die zoveel als mogelijk uit en zet je lens, als die over de mogelijkheid beschikt, op “manuele scherpstelling“. Vervolgens stel je zelf handmatig scherp op die heldere ster. Eenmaal scherp gesteld laat je de lens op die scherpstelling staan.
Opmerking: wanneer je een lange waarnemingssessie hebt, dan is het mogelijk dat je lens zal afkoelen (winter) of opwarmen (zomer). Hierdoor is het mogelijk dat bij het maken van tijdreeksen (dit is het maken van verschillende opnames na elkaar – hieronder daarover meer) de scherpstelling in de loop van de tijd niet meer correct zal zijn. Dit zal je voornamelijk opmerken bij het werken met langere brandpuntsafstanden. Controleer dus af en toe eens de scherpstelling. Ga er niet “zomaar” van uit dat ze constant zal blijven gedurende de volledige waarnemingssessie.
Lensfouten
Lenzen zijn nooit perfect. Ik herhaal: lenzen zijn nooit perfect. Je mag nog over de duurste lenzen ter wereld beschikken, er is altijd wel ergens een fout te bespeuren in het beeld (foto) dat er mee wordt gemaakt. We gaan hier nu niet een volledige uiteenzetting doen over alle mogelijke fouten, maar samenvattend komt het hierop neer: kleurfouten (chromatische aberratie), vervormingsfouten (tonvorming, astigmatisme = uitgerokken sterretjes, vooral zichtbaar in de hoeken van de foto) en vignettering (dit zie je als donkere hoeken en een helderder midden van je foto).
Bij een goede astrofoto zal je beduidend minder (in het hele ideale geval géén) zo’n fouten zien. Controleer dus je resultaat steeds op die 3 geciteerde soorten van lensfouten.
Nu ja, wat kun je er aan doen om deze lensfouten te vermijden of te minimaliseren? Er zijn volgende opties mogelijk:
1) kies een technisch zo goed mogelijke lens: ga niet voort op wat de fabrikant zegt (zelfs niet wanneer deze expliciet vermeldt dat deze of gene lens specifiek voor astrofotografiedoeleinden werd gemaakt). Bekijk reviews van de desbetreffende lens, ga fotoresultaten van andere amateur sterrenkundigen gaan bekijken, vraag raad in een Volkssterrenwacht (in Vlaanderen kun je hiervoor terecht op volkssterrenwachten.be), enzovoort.
2) Heb je lensfouten, weet dan dat lensfouten meestal afnemen wanneer je de lens gebruikt bij een kleiner diafragma. Eenvoudig gezegd: gebruik je in plaats van f/1.4 een diafragma f/2.8 (bij een bepaalde lens) dan zal die een beter resultaat geven bij f/2.8 . Waarom? Heel eenvoudig: bij kleiner diafragma gebruik je meer de centrale delen van de lens, de buitenste lichtstralen worden afgeknepen. En dat is meteen de zwakte van deze oplossing: we willen onze lenzen eigenlijk niet onderbenutten, we willen immers zoveel als mogelijk fotonen capteren op onze sensor. Maar goed, ‘t is een compromis. Wil je haarscherpe foto’s met weinig lensfouten, en je kunt je geen dure lenzen veroorloven, dan kun je wel degelijk je toevlucht nemen tot deze maatregel.
Even terzijde: je zou nu kunnen denken dat je best altijd bij een zo klein mogelijk diafragma werkt. Immers, wie wil nu niet dat de lensfouten woerden geminimaliseerd? Welnu, deze redenering klopt niet! Immers, er is een ander effect dat om de hoek komt kijken. Stel dat je naar f-waarden gaat in orde van grootte als f/16, f/20, f/22… en ga zo maar verder, dan zal je merken dat het “scheidend vermogen” (de resolutie ook nog genoemd, de mate van detail) zal afnemen. Dit komt door het natuurkundig fenomeen van “diffractie“. We gaan hier niet verder op in. Voor de meeste lenzen geldt dat je optimale scherpte, scheidend vermogen en minimale lensfouten zal bekomen tussen één of twee stops boven de maximale diafragma van je lens en maximaal bij f/5.6 à f/8. Ga je hoger, wat je bij gewone astrofotografie quasi nooit doet omdat je zoveel mogelijk licht wil capteren, dan gaat de kwaliteit van het beeld naar beneden. Soms is dat heel subtiel, maar toch. Wees er je bewust van. Dit kan belang zijn voor landschapsfotografen. Stel dat je een Melkwegfoto wil maken met een mooie, detailrijke voorgrond, dan kan dit alles zijn rol spelen. De Melkweg fotografeer je dus met de technieken zoals hier besproken en de voorgrond fotografeer je bij een normalere belichting afzonderlijk. Nadien breng je de 2 foto’s samen.
Ruisvorming
Om een astrofoto te maken heb je niet alleen een lens nodig (op een statief), maar ook een sensor. We gaan hier niet teveel in op de diverse soorten van sensoren die bestaan (CCD’s, CMOS, back illuminated sensoren of niet, enzovoort). Ze hebben allemaal één ding gemeen: hoe goed ze ook mogen zijn, ze genereren altijd wat ruis. Ruis is eigenlijk signaal dat niet afkomstig is van de lichtbron (ster, melkweg, enz.) maar zo maar uit het niets komt vanwege beperkingen van de sensor.
Om volledig correct te zijn moet ik eigenlijk ook zeggen dat ruis niet enkel en alleen vanwege de sensor voortkomt. Alle fotonen van een ster bijv. komen niet allemaal steeds met hetzelfde debiet aan op je sensor. Er kan daar dus wat variatie op zitten. En ook dat is ruis.
Opnieuw stelt zich dus de vraag: wat kun je er “in hemelsnaam” (snap j’em 😉 ) aan doen ? Welnu, ook hier sta je niet volledig machteloos:
1) kies een zo goed mogelijke sensor. De ene sensor genereert nu eenmaal meer ruis dan de andere. Ook hier dus: bekijk reviews, overleg met andere amateur astronomen, bekijk hun resultaten. Meestal is het wel zo dat hoe duurder de camera, hoe minder ruis er wordt vastgelegd.
2) kies niet direct voor een sensor met het meeste aantal pixels. Voor sommige mensen is dat een obsessie om met een zo groot mogelijke resolutie te willen werken. Weet dat grote resolutie betekent dat er met zeer kleine pixels wordt gewerkt. En hoe kleiner de pixel, hoe minder fotonen er kunnen worden in opgeslagen. Er zullen dus minder fotonen kunnen worden opgeslagen bij eenzelfde hoeveelheid ruis. Of anders gezegd: de signaal/ruisverhouding, die je eigenlijk zo groot mogelijk wil, zal slechter zijn dan wanneer je werkt met grote pixels. Samengevat: een camera van bijvoorbeeld 24 Mpixels zal qua signaal/ruisverhouding beter scoren dan bijvoorbeeld een 40 Mpixels camera (gesteld dat alle andere parameters van de sensor uiteraard gelijk zijn).
3) probeer te kiezen voor langere opnameduren: hoe langer de opname, hoe meer signaalwinst je zal krijgen. Je moet hierbij wel oppassen dat je foto niet overbelicht wordt. Dat kan vlug gebeuren wanneer je hier bij ons, waar er veel lichtverontreiniging is, langer belicht. Wanneer je echter op écht donkere locaties zit, zoals bijvoorbeeld het geval is in de diepe Ardennen of de Morvan, dan kun je makkelijk gaan tot belichtingsduren van 2 minuten en meer (in plaats van 15 seconden bij ons – om maar iets te zeggen).

Merk op dat het diafragma iets werd verkleind om de ergste lensfouten te vermijden.
De schuine streep die je rechtsboven in beeld ziet is een meteoor (een stuk steen dat door de Aardatmosfeer vliegt en daar verhit wordt omdat de steen aan een ongelooflijke snelheid met de lucht in contact komt).
– Klik op de foto om die in een groter formaat te krijgen. –
3) Kies voor een zo laag mogelijke ISO instelling. Weet dat je camera sowieso altijd dezelfde hoeveelheid fotonen capteert, ongeacht op welke ISO-stand je je camera instelt. Het enige wat je doet wanneer je een hogere ISO-stand kiest is de elektronische versterking van je camera verhogen. Weet dan dat je ook de ruis mee versterkt. Je zal uiteraard niet anders kunnen dan een wat hogere ISO-waarde in te stellen (omdat anders het signaal te zwak is), maar weet dat je ook dan de ruis mee optrekt. Normaal zal de ruis sneller stijgen dan de winst die je haalt uit een sterker signaal. Het wordt dus een compromis. In de eerste camera’s kon je best je ISO beperken tot zo’n ISO-800, de nieuwe camera’s kunnen vlot ISO-3200 of zelfs ISO-6400 aan (of zelfs soms nog hoger).
4) De laatste techniek die je kunt gebruiken om het ruisniveau in je opnames te verminderen is door te kiezen voor tijdreeksopname’s. Dit wil zeggen dat je van dezelfde scene aan de hemel verschillende opnames maakt. Wellicht denk je nu: “Dan heb je toch, zeg maar, 10 keer hetzelfde ruisvolle resultaat?”. Dat klopt uiteraard, maar dan komen de wetten van de statistiek aan bod. Door alle opnames nu statistisch te verwerken, zal de signaal/ruisverhouding beter worden: alle foto’s worden bij elkaar opgeteld (we “stapelen” de foto – zo noemen we deze werkwijze) en het gemiddelde berekend. Door de aard van het ruis-beestje, zal ruis sterk worden uit gemiddeld. Ruis heeft namelijk een random karakter en het gemiddelde van “willekeurigheid” is… nul! En dat is wat we wensen. Hoe meer opnames je dus van één en dezelfde scene maakt, hoe beter de “gestapelde” foto zal worden.
Klik op een van de onderstaande foto’s om de fotocarrousel op te starten…

5 augustus 2005, Allos, Frankrijk

5) Soms zul je zien dat je foto doorspekt is met heldere, gekleurde pixels (beeldpunten). We noemen dze hot pixels. We kunnen dit ook aanzien als een soort van “vaste ruis”. Het wordt veroorzaakt door fouten in de sensor zelf. Daar kun je zelf niet veel aan doen. In de high-end camera’s is er wel een optie voorzien om deze hot pixels te verwijderen. Hiertoe zal de camera na iedere opname nog een zogeheten donkere opname maken (een “dark frame”) van dezelfde duur als de eigenlijk opname. Bij deze donkere opname wordt geen licht binnen gelaten: het is alsof de lenskap op de lens zou zitten. In principe zou de camera niks mogen registreren want er komt geen licht binnen. Op zo’n dark frame zullen de hot pixels echter wel verschijnen. Wanneer je nu van je opname deze dark frame van aftrekt, zullen deze hot pixels in je opname verdwijnen. Nadeel van deze manier van werken is dan dat je maar voor de helft van de tijd échte fotonen zit te verwerken. De andere 50% van de tijd zit de camera dan de dark frames aan het maken.
De fervente astrofotografen zullen dit proces zelf eigenhandig uitvoeren: ze zorgen dat ze zelf één goede dark frame hebben. Nadien nemen ze alle gewone foto’s. Nadien trekken ze dan zelf de dark frame er van af. Op deze manier kun je quasi 100% van je tijd échte fotonen verzamelen. Scheelt enorm qua productiviteit. We hebben al niet zoveel wolkenloze nachten, dan is het zaak om zo efficiënt te werken als er eens geen wolken zijn. 😉
Kleuren
Een goede astrofoto blinkt ook uit dank zij het feit dat alles qua kleur correct is afgebeeld. Enkele puntjes vragen hierbij extra aandacht.
1) Een veel voorkomend probleem bij astrofoto’s is dat de achtergrond niet perfect zwart is. Meestal komt dit doordat er veel lichtverontreiniging is. Meestal zal de foto last hebben van een oranje roodachtige zweem meestal afkomstig van de gele natriumlampen die vroeger als wegverlichting werden geïnstalleerd. Geleidelijk aan wordt nu overgeschakeld op witter LED licht. Ook deze lampen zorgen nog voor lichtverontreiniging. Het is dus best om een écht donkere locatie op te zoeken, ver af van de bewoonde wereld. Zo’n plaatsen kunnen het platteland zijn (ver van steden), bosgebieden (Ardennen bijvoorbeeld) of berggebieden (waar er meestal een lagere bevolkingsdichtheid is). Hoe donkerder de hemel, des te mooier de achtergrond zwart zal zijn. De hele foto zal beter overkomen.
2) Wanneer je een gewoon fototoestel gebruikt om de Melkweg vast te leggen, dan zal je merken dan bepaalde nevelachtige structuren niet prominent worden afgebeeld op je foto. Dit komt doordat dit gebieden zijn die veel H alfastraling afgeven. De golflengte van deze straling wordt in een gewone camera afgeblokt doordat ze voor de sensor een UV/IR-filter hebben zitten. De roze-rode H alfastraling geraakt maar heel moeilijk door dit filter. En daarom dat vele nevels niet mooi doorkomen op foto’s gemaakt met de klassieke fototoestellen. Oplossing ? Gebruik maken van een échte CCD camera ofwel een standaard camera gebruiken waar de UV/IR-filter van werd verwijderd. Er zijn bepaalde firma’s die zich in dit laatste specialiseren. Sommige fabrikanten van camera’s brengen soms zelf een speciale versie van hun normale camera’s uit maar dan voor astrofotografie doeleinden. Exemplaren die dus wel dit H alfalicht doorlaten. Zelf maakte ik vroeger gebruik van de speciale Canon EOS 20Da versie (let op de kleine letter “a” dat het astrofotografiemodel aanduidt). Tegenwoordig heb je het Canon EOS 6Da Mark II model. Je kunt hem bijvoorbeeld kopen in deze Belgische astroshop.
Hoe herken ik een goede Melkwegfoto?
Uiteraard moet eerst en vooral al aan alle vereisten voldaan worden die werden beschreven in de vorige sectie. Dat lijkt me evident. Op een goede foto van de Melkweg zal je echter ook minstens volgende zaken zien:
1) bruinkleurige en donkere stofbanden
2) aanwezigheid van grote bolvormige sterrenhopen
3) grote, uitgebreide H-alfagebieden (roodachtig van kleur)
4) bij groothoekopnames: overige nabije sterrenstelsels zoals bijv. M31 Andromedanevel of, indien je op het Zuidelijk Halfrond van de Aarde zit, de Grote en/of Kleine Magellaanse Wolk. Het zijn zogenaamde begeleiders van onze eigen Melkweg.
Staan die zaken mooi en scherp afgebeeld op je foto, dan heb je een goede Melkwegfoto!
Tip: een Melkwegfoto maken zal altijd beter lukken als de Melkweg hoog aan de hemel staat. Bij ons is dat in de zomer. Profiteer van die hoge stand, ondanks het feit dat de nachten dan minder lang donker zijn. Wacht wel tot de schemering volledig weg is en de nachthemel goed donker.
Een aantal fotografen op deze wereldbol zijn echt gespecialiseerd in Melkwegfotografie. Ze maken zogeheten “nightscapes“: eigenlijk zijn dit nachtelijke landschapsfoto’s waar de Melkweg een prominente rol in krijgt. Heel mooi is het wanneer men met een ultrabreedhoek, soms ook door foto’s aan elkaar te zetten, in één keer de Melkweg van horizon tot horizon vast legt. Steevast wordt dan iets aantrekkelijks in de voorgrond geplaatst: een meer, rotsen in een natuurpark, bergen, een molen, … noem maar op. Soms worden deze voorgrondobjecten ietwat bij belicht (met behulp van een LED looplamp bijvoorbeeld). Merk op dat al die opnames bijna altijd zogeheten composietopnames zijn: één (eventueel gestapelde) opname voor de Melkweg, en een andere (soms ook gestapelde) opname voor de voorgrond.

Zelf eens proberen ? Ga alvast voorbeelden gaan bekijken op Cosmic Captures of in Google Afbeeldingen. Indrukwekkend, niet?
Waar vind ik de beste plaats om sterren en Melkweg te fotograferen?
Wil je de beste astrofoto’s maken dan zal je best op zoek gaan naar een écht donkere locatie. Die zijn in onze contreien eerder schaars geworden. Er bestaan zogeheten “lichthinderkaarten”. Als voorbeeld toon ik een algemene voor West-Europa. De blauwe zones zijn de zones waar er omzeggens geen lichtverontreiniging is. Denk dan bijvoorbeeld aan het zuidelijk deel van Frankrijk, Bretagne, … . Een eerste grote blauwe zone voor ons hier in Frans- en West-Vlaanderen is de Morvan in Frankrijk.

Ook is er een kleine gebiedje in de Franse Ardennen. In 2005 vonden wij een aangename gite in het gehucht Talma in Grandpré (in de Franse Ardennen). Het betreft Gîte Chez la Grand-Mère (Google Maps). Er kunnen maximaal 12 personen overnachten. Sedert onze ontdekking van deze gite gingen al honderden amateur-astronomen ons na op astrofotografiekamp aldaar. Het is er soms wel zeer vochtig. We zijn er ook al geweest dat we omzeggens niks konden doen door aanhoudende… mist. Dauwvorming is er een voortdurend punt van aandacht. Maar bon, het is er nog behoorlijk donker.

Wist je dat… er verenigingen bestaan die lichthinder actief bestrijden, de mensen er over informeren, enzovoort en dit in de meeste landen. Voor België is dit de Werkgroep Lichthinder van de Vereniging voor Sterrenkunde: Website – Facebook. Internationaal is er de Dark Sky organisatie: Website – Facebook.
Is het het astrofotograferen in groep zinvol?
Het fotograferen in groep heeft een aantal duidelijke voordelen: je kunt voor raad en daad altijd bij je medereizigers terecht, soms ook eens voor een quick fix qua materieel, is het bewolkt dan heb je altijd gezelschap, eventueel komen de partners mee, je leert altijd wel wat van de anderen en anders leren zij ook wat van jou, enzovoort.
Een groot voordeel van het organiseren van een kamp is dat je tijd hebt uitgetrokken voor het maken van een goede astrofoto. Het vraagt nu eenmaal wat inspanningen om een mooie foto te maken. Je bepaalt samen naar welk donkertegebied je zal trekken, met hoeveel mensen, voor hoe lang, in welke omstandigheden, enzovoort. De meeste astrokampen die ik heb meegemaakt leverden meestal mooi astrofoto’s op. En: de kosten worden gedeeld.
Je moet er wel heel goed voor zorgen dat je goede afspraken maakt. Zo wil je niet dat mensen onnodig licht maken als je aan het waarnemen bent, tegen je opstelling aan lopen, lawaai maken terwijl jij aan het slapen bent, je voortdurend uit concentratie halen terwijl jij aan het werk bent, enzovoort. Het moet dus wel een beetje klikken tussen de deelnemers. Dat is niet altijd even makkelijk. Spanningen zijn er natuurlijk ook makkelijker als het dagenlang bewolkt is. 😉 Ook financieel maak je best goede afspraken, want “goed afspraken maken goede vrienden“.
Alles bij elkaar is het zeker een voordeel dus om er samen op uit te trekken, zeker weten.
Hoe vermijd ik dauwvorming op mijn lens?
Het kan flink afkoelen tijdens de avond en nacht. Dat is zelfs nog meer het geval wanneer het een wolkeloze nacht is: de wolken vormen namelijk een dekentje dat er voor zorgt dat de temperatuur minder snel afneemt. Doordat de temperatuur flink afneemt en er dikwijls heel veel waterdamp voorkomt in de atmosfeer, zal de waterdamp zich eerst en vooral omvormen tot hele kleine waterdruppeltjes op de oppervlakken die het koelst zijn. Dus: de oppervlakken zoals bijvoorbeeld van metalen objecten die bijzonder snel afkoelen. Ook glasoppervlakken (lenzen) kunnen sterk afkoelen waardoor ze kunnen worden bedekt door een bijzonder fijn laagje waterdruppels: dauw. Je zal zien dat wanneer je bezig bent met het maken van tijdreeksen, het contrast binnen de foto’s zal beginnen af te nemen naarmate de dauw zich verder vormt. Uiteindelijk is het zelfs mogelijk dat de opnames helemaal onbruikbaar worden.
Hoe je dit kan vermijden? Simpel: door je lens warm te houden. Er bestaan hiervoor speciale verwarmingslinten die je om de lens zwachtelt. Je probeert natuurlijk niet de hele lens té warm te zetten, enkel warm genoeg dat er geen dauw op komt te zitten. Kijk bijvoorbeeld eens op Astroshop hoe zo’n verwarmingslint er uit ziet en hoeveel dat dan zo mag kosten. Alleszins nuttig voor de fervente astrofotograaf.
Tip: Vroeger werkten zo’n verwarmingsbanden typisch op een autobatterij. Tegenwoordig heb je ook USB-C modellen die je op een powerbank kunt aansluiten. Dat is reuze handig.
Hoe vind ik een bepaalde nevel of bolhoop terug aan de hemel?
Amateur-astronomen, toch de praktisch ingestelde, kunnen goed hun weg aan de hemel vinden. Ik behoor niet tot die groep. Wat doe je dan ? Wel, euh, vroeger zat je in de problemen, maar tegenwoordig gelukkig niet meer. 😉
Er bestaan nu diverse programma’s en websites die voor iedere plaats op de wereld en voor gelijk welk tijdstip precies weergeven hoe de sterrenhemel er daar uit ziet. We noemen dat planetarium software. Je kunt in die programma’s ook aangeven welk object je zoekt: bijv. M42 de Orionnevel, de paardekopnevel, de sluiernevel, … en noem zo maar op. Gebruik dus een planetariumprogramma om je weg tussen de sterrenbeelden in het algemeen en hemelobjecten in het bijzonder terug te vinden. Hieronder staan diverse links naar zo’n planetarium software/web sites.
Wist je dat… top.vlaanderen bij alle besproken sites, en dat zijn er in tussentijd meer dan 300, onmiddellijk een link genereert naar Stellarium en In The Sky: zo zie je direct welke sterrenhemel je daar zal te zien krijgen. Heel praktisch. Gedaan met zoeken en veel tijdswinst.
Internet informatie van en over Sterren en Melkweg fotograferen
Wikipedia informatie over:
– Astrofotografie (NL – FR – EN)
– de Melkweg (NL – FR – EN)
– Lichthinder (NL – FR – EN)
YouTube over:
– Nightscapes Milky Way
Lichthinderkaarten:
– Dark Sky Map
Interessante websites:
Koninklijke Nederlandse Vereniging voor Weer- en Sterrenkunde (KNVWS): website
Vereniging voor Sterrenkunde (VVS) : website
Association Française d’Astronomie (AFA): website
Vlaamse Volkssterrenwachten: website
Interessante planetariumprogramma’s:
– Stellarium
– In The Sky
Voorbeelden van astrofoto’s
Onze foto’s, video’s, … zijn allen (c) 2004-2025, Top.Vlaanderen, België. Ze mogen niet “zomaar” worden overgenomen of gebruikt. Ze zijn evenwel licentieerbaar. Wil U uw eigen toeristische attractie, B&B, vakantiewoning… laten fotograferen door ons, dat kan ook. Neem hiervoor contact met ons op via ons Contactformulier .
Klik op een van de onderstaande foto’s om de fotocarrousel op te starten…


(20050731, Allos, Frankrijk)

(20050802, Allos, Frankrijk)

(20050805, Allos, Frankrijk)

(20061222, Grandpré, Frankrijk)

Disclaimer: Alle informatie die op top.vlaanderen wordt gepresenteerd werd met de grootste zorg samengesteld. Ze wordt ook regelmatig nagezien. Indien U opmerkingen heeft, fouten ziet, aanvullende informatie hebt, enzovoort… contacteer ons dan via ons contactformulier. Wij zijn niet verantwoordelijk voor mogelijks foutieve of onvolledige informatie.